Carlijn Kingma - Onzichtbare werkelijkheden verbeeld
10 oktober, 2026

Tot 4 januari 2027 is in museum Singer Laren de tentoonstelling De machinerie van de volkshuisvesting van Carlijn Kingma (1991) te zien. Carlijn Kingma is cartograaf van de maatschappij en brengt met haar gedetailleerde tekeningen en videopresentaties onzichtbare denkwerelden, historische ont wikkelingen en maatschappelijke krachtvelden in kaart. Pieter van der Ree sprak met haar over haar werkwijze, ontwikkeling en drijfveren.
Tekst: Pieter van der Ree
Beeld: Carlijn Kingma
In het verleden waren cartografen mensen die de uiterlijke werkelijkheid afbeeldden in handzame kaarten ten behoeve van de scheepvaart, handel of oorlogsvoering. Jij hebt dit beroep een hele nieuwe invulling gegeven door onzichtbare werkelijkheden zoals utopieën, culturele ontwikkelingen en maatschappelijke structuren in beeld te brengen. Je doet dat veelal in architectonische beelden. Hoe ben je daartoe gekomen? Daar komen veel dingen bij elkaar. Als kind vond ik de vrijeschool geweldig, daar was ruimte voor kunst, voor zelf dingen maken, voor ambacht. Dat plezier, dat je iets in je hoofd hebt en dat kunt uitwerken in een reeks tekeningen of in een beeld, daar liggen de wortels. Ik wilde architectuur studeren vanwege het ‘arche’ en ‘techne’, de verbinding van kunst en techniek, en hoe die samen kunnen werken ten bate van de samenleving. Dat het mensen zijn die daarin moeten leven, zich veilig voelen, zich hechten aan elkaar en inspiratie vinden. Dat leek mij de mooiste puzzel die je kunt leggen en zo besloot ik om Bouwkunde te gaan studeren in Delft.
Dat is een hele mooie en idealistische visie op architectuur, een soort oerbeeld van het vak, maar trof je dat ook aan in Delft? Nou nee, niet bepaald. Ik heb best moeten zoeken. Er was weinig ambacht, wij gingen voor ontwerpprojecten maar zelden naar bouwlocaties kijken en nooit aan mensen vragen wat ze nodig hebben om in te leven. Dat had ik wel verwacht en leek mij ook belangrijk.
Wanneer ik je zo hoor, dan draag je ook een ideaalbeeld in je van wat een universiteit eigenlijk zou moeten zijn, maar meestal niet is. Toch ben je niet gestopt met je studie. In de loop van de jaren ging het beter en lukte het mij om mijn eigen weg te vinden. Zo ontmoette ik een docent die een vak gaf over de beeldtaal van de architectuur. Hij doceerde geen kant-en-klare lesinhouden, maar ging gewoon zitten en opende het gesprek. Ik heb bij hem ieder jaar hetzelfde vak gevolgd, omdat het ieder jaar weer anders was. Uiteindelijk ben ik ook bij hem afgestudeerd en heb ik nog steeds af en toe contact met hem.
Je afstuderen is nog wel een verhaal apart, want uit de Close-up documentaire ‘De wereld van Carlijn’ kreeg ik de indruk dat je voor je afstuderen niet, zoals gebruikelijk, een architectonisch ontwerp hebt gemaakt, maar bent afgestudeerd op een theoretisch onder zoek en een serie tekeningen. Dat klopt niet helemaal. Ik heb wel degelijk iets ontworpen, maar op een ongewone manier. Ik ben op zoek gegaan naar wat architectuur voor mij moest betekenen, naar architectuur als verbeelding van utopieën. Hoe kan de universiteit een plek zijn waar de utopie, het betere land, geboren kan worden? Naast een historisch onderzoek naar de geschiedenis van utopieën en een analyse van de huidige situatie heb ik een ontwerp gemaakt voor mijn ideaalbeeld, een reis door een fictief gebouw. Dat alles is gestold in drie boeken en een reeks tekeningen.
Dat klinkt naar een heel grondig werkstuk en ik herken er ook al veel in van je latere werkwijze, maar desondanks is dat een nogal ongebruikelijk afstudeerproject. Hoe werd dat ontvangen? Naarmate mijn afstuderen naderde, maakte ik mij in toenemen de mate zorgen over of dit wel geaccepteerd zou worden en durfde ik soms niet goed meer naar mijn docenten toe te gaan, maar uiteindelijk werd mijn werk met vijf tienen beoordeeld.
Dat moet een enorme opsteker voor je geweest zijn? Jazeker, ik heb wat dat betreft altijd veel geluk gehad. Ook op de vrijeschool heb ik mij door mijn leraren altijd erg gezien gevoeld en daardoor mijn eigen weg kunnen gaan.
Dat is heel mooi, maar daar sta je dan na je afstuderen met je vijf tienen terwijl je tijdens stages al gemerkt hebt dat werken op een architectenbureau niets voor jou is. Hoe is het daarna verderge gaan, want je moet toch ergens van leven? Ik had tijdens mijn studie veel getekend en na mijn afstuderen kon ik dat werk in een galerie exposeren. Dat bleek heel goed te verkopen. Daarnaast had ik voor een jaar een ontwerpstudie beurs gekregen en omdat ik goedkoop woonde, kon ik daarvan wel twee jaar leven. Ik had in die tijd een hoekje in een atelier in Rotterdam waar ik kon tekenen en hing mijn werk op in de koffiebar ernaast. Daar kwam op een dag Hans Janssen, de toen malige hoofdconservator Moderne Kunst van het Kunstmuseum in Den Haag, langs, zag mijn werk en nodigde mij uit voor een expositie in het Kunstmuseum.
Wat een bijzondere samenloop van omstandigheden en wat een eer! Als ik dat zo hoor, heb je, naast dat je heel goed weet wat je wilt, vaak ook geluk. Ja, dat klopt. Ik heb vaak het gevoel gehad de wind mee te hebben.
Hoe is het na die eerste expositie verdergegaan? Eigenlijk heel natuurlijk, als een organisch proces waarbij het ene thema uit het andere voortkwam. Na ‘Een geschiedenis van de Utopische Traditie’ uit 2016 heb ik in 2017 ‘De Babylonische toren van de Moderniteit’ getekend en in 2018 ‘Stargazers en Gravediggers’ over de groeiende kloof tussen ons mensen en de natuur. Daaruit kwam in 2019 ‘De kroniek van Gaia’ voort over onze omgang met de aarde door de geschiedenis heen. In 2020 volgde ‘Het weefsel van de mensheid’ waarin ik het weven als een metafoor gebruikt heb voor het menselijke samenleven. Dat weefsel van sociale relaties vormt onze kracht als mensheid en daarvan zijn wij ook afhankelijk. Geleidelijk werd mij duidelijk dat geld een hele bepalende rol speelt in veel van de processen die ik verbeeldde. Dat leidde tot een reeks tekeningen over de rol van geld in de samenleving die in 2022 culmineerde in ‘Het waterwerk van ons geld’. Uit die tekening is weer het onderzoek naar de politieke en financiële mechanismen achter de huidige crisis in de volkshuisvesting voortgekomen.
Dat zijn allemaal veelomvattende thema’s. Je bent toch geen expert op al die gebieden, hoe krijg je dat voor elkaar? Ik doe deze projecten nooit alleen, maar altijd in samenwerking met anderen. Voor ieder project ga ik op zoek naar experts op dat gebied en ondervraag hen. Zo is ‘De kroniek van Gaia’ ont staan in samenspraak met Martin Lok van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en met Wouter van Dieren van de Club van Rome. ‘Het weefsel der Mensheid’ is gemaakt in samenwerking met de schrijver Rutger Bregman en de redactie van De Correspondent en voor ‘Het waterwerk van ons geld’ heb ik intensief samengewerkt met Thomas Bollen van onderzoeksplatform Follow the Money. Ik lees veel boeken, voer tientallen, soms honderden gesprekken met experts om mij een zo goed mogelijk beeld te vormen van het gebied dat ik in kaart wil brengen.
Vervolgens breng je al die inhouden samen in een beeld. Je schrijft er geen boek over, maar tekent een imaginaire kaart waarin ze tot een samenvattend en leesbaar beeld zijn gestold. Dat is nogal een transformatie. Hoe doe je dat? Dat is makkelijker dan het op het eerste gezicht lijkt. Er zit namelijk al veel beeld in de manier waarop wij over deze onderwerpen praten. Wanneer wij het over geld hebben, dan zeggen wij bij voorbeeld al dat geld moet ‘stromen’, dat iemand ‘geld als water’ heeft, dat ‘vermogen kan verdampen’ of dat ‘tegoeden worden bevroren’. Allemaal beelden die aan water zijn ontleend. Het is dan niet meer zo’n grote stap om de geldstromen in onze maatschappij om te zetten in een beeld met waterlopen, reservoirs en kranen. Dat beeld is overigens ook geïnspireerd op de water speelplaats die mijn grootvader Klaas Kingma, als hoofd van de Dienst Ruimtelijke Ordening in Zutphen, langs de IJssel heeft laten bouwen. Ik heb daar als kind veel gespeeld en ervaren hoe je door schuiven te sluiten en te openen water kunt opsparen of juist kan laten stromen. (Carlijn staat op en komt terug met een schetsboek om te laten zien hoe het verbeelden van inhouden bij haar in zijn werk gaat.) Na elk gesprek maak ik notities, schrijf ik de gewonnen inzichten op en maak daar vaak al kleine tekeningen bij. Als dit het mechanisme is, dan kun je dat misschien zo verbeelden. Dat is helemaal niet zo verschillend van wat ik als kind al op de vrijeschool deed. Tijdens het periode-onderwijs kregen wij ’s morgens een verhaal te horen. ’s Middags werkten wij dat in ons periodeschrift uit en maakten er een tekening bij.

Dat is mooi en illustreert de bijzondere werkzaamheid van die methode, maar toch zijn niet alle kinderen van de vrijeschool cartograaf van de maatschappij geworden en moeten al die afzon derlijke schetsjes toch ook nog gecombineerd worden tot één grote, pakkende en samenvattende tekening. Dat is een iteratief proces. Ik maak eerst allerlei kleinere en grotere voorstudies die geleidelijk samengroeien tot een geheel, tot een ruimtelijk beeld. Daar moeten de boodschap en het gevoel in zitten. Dat beeld laat ik aan anderen zien en bespreek het met hen om te zien of het werkt. Wanneer ik aan de uiteindelijke tekening begin, dan is die hele compositie in mijn hoofd al klaar.
Zo’n tekening is een enorm werk. Ik las ergens dat je er wel 2000 uur mee bezig bent. Dat is een heel jaar lang van vijftig weken en veertig uur per week werken. En dat is dan alleen nog maar het tekenen en niet je vooronderzoek. Maar ik vind tekenen het leukste wat er is. In die zin is het geen opgave.
Dat mag zo zijn en anders zou je het waarschijnlijk ook niet volhouden, maar daarachter beleef ik toch ook een grote gedrevenheid. Je maakt geen tekeningen alleen maar voor je plezier of voor het mooi. Je wilt er iets mee bereiken. Dat klopt, ik wil met mijn werk de wereld een stukje mooier en vooral rechtvaardiger maken. Al mijn werk heeft tot doel om mensen bewuster te maken van de mechanismen in onze samenleving die onrecht en ongelijkheid veroorzaken. Ik wil laten zien dat dit geen onveranderlijke natuurwetten zijn, maar menselijke keuzes. Hoe kan het zijn dat in onze grondwet staat dat ieder mens recht heeft op huisvesting en er tegelijkertijd tienduizenden daklozen en honderdduizenden woningzoeken den zijn? Daar zijn achterliggende redenen voor. Je kunt zoiets als het mechanisme van de volkshuisvesting niet afschaffen, maar je kunt het wel anders afstellen. Dat is een keuze en ik vind het belangrijk dat mensen zich daarvan bewust worden.
Met het maken van de tekening is het proces dus nog niet klaar. Je bent niet alleen een cartograaf van de maatschappij, maar gaat door middel van exposities en presentaties ook nog eens de boer op, opdat mensen door jouw kaarten anders gaan navigeren. Dat laatste vind ik het lastigste deel van mijn werk. Ik heb vaak het gevoel dat ik een dubbelleven leid. Wanneer ik aan een nieuwe tekening werk, dan ben ik helemaal naar binnen gekeerd. Is die klaar, dan volgen er exposities en presentaties en ben ik een tijd lang helemaal naar buiten gekeerd en kan ik niet tekenen.
Je mag die presentaties dan moeilijk vinden, maar wat mij fascineert, is dat je ook dat nog kunt! Je bent niet alleen zo intelligent dat je veelomvattende gebieden als ons geldwezen of de volkshuisvesting in kaart kunt brengen en zo creatief dat je die complexe inhouden in sprekende beelden kunt vertalen, maar ook nog eens zo verbaal begaafd dat je ze op overtuigende wijze kunt toelichten. Door je toelichtingen gaan je tekeningen voor mij echt leven en zetten mij aan het denken. Wat dat betreft, lijk je al de talenten te hebben meegekregen die je nodig hebt voor de opgave die je jezelf hebt gesteld. Je lijkt zelfs geboren in een erfelijkheidsstroom waarin een aantal van je idealen al leefden. Zo was je oma Annelies Kingma al actief in een stichting Onderdak die zich tot doel had gesteld om wonen voor iedereen toegankelijk te maken door onroerend goed uit de speculatiesfeer te halen en bouwde je opa Klaas Kingma dat waterwerk aan de IJssel dat je inspireerde. Mijn oma heb ik helaas niet goed gekend, omdat ze al overleed toen ik één jaar oud was, maar van mijn opa heb ik veel inspiratie meegekregen. Hij vroeg mij altijd naar de sociale implicaties van de ontwerpen die ik voor mijn studie Bouwkunde maakte. Hun inzet en burgerschap is voor mij zeker een grote bron van inspiratie. Zij leefden niet voor zichzelf alleen, maar stonden aan de wieg van talrijke antroposofische initiatieven in Zutphen en omgeving. Zo waren zij medeoprichters van de vrijeschool waar op ik later zelf gezeten heb.
Dat is een bijzondere speling van het lot, want daarmee heb je aan hen indirect het onderwijs te danken waarvan je een paar keer hebt gezegd dat het zo belangrijk voor je is geweest en een soort onderbouw voor je werk en werkwijze vormt. Nu heb je ook gezegd dat uit ieder project op een organische manier weer een volgend onderwerp voortkomt. Hoe is dat met dit project over de volkshuisvesting? Ja, dat is ook dit keer weer het geval! In samenwerking met onderzoeksjournalist Thomas Bollen en professor Thom Wetzer van de universiteit van Oxford zijn wij begonnen aan het project ‘De architectuur van het recht’. Dit omdat achter ons financië le systeem en achter de volkshuisvesting weer allerlei wetten staan die de loop van de dingen bepalen. Je kunt het geld niet los zien van deze rechtsstructuren. Recht klinkt wellicht als een heel droog onderwerp, maar ik denk dat ik het kan verbeelden.
Zie ook: carlijnkingma.com, www.singerlaren.nl en npo.nl/start/afspelen/close-up-de-wereld-van-carlijn-kingma.
Dit artikel is verschenen in Motief 306 van oktober 2026.
