Theosofie en antroposofie; Cultuurimpuls in een familie
13 oktober, 2026

Op 6 juli 2024 overleed Freya Steffelaar-Moulijn (*14 oktober 1936). Freya was als derde generatie verbonden met de antroposofie. De dissertatie over Marie Tak van Poortvliet en de onlangs verschenen Nederlandse vertaling van de biografie van Willem Zeylmans van Emmichoven bieden een levendige context om leven en werken van de familie Moulijn te plaatsen.
Tekst: Ignaz Anderson
Beeld van links naar rechts: Simon Moulijn, Zelfportret, 1920. Simon Moulijn, Portret van Henriëtte Moulijn-Haitsma-Mulier, 1910. Simon Moulijn, Kleindochter Freya, 1940.
Freya’s grootmoeder was de dichteres Henriëtte Moulijn-Haitsma-Mulier. Zij studeerde als een van de eerste vrouwen Nederlandse Taal en Letteren in Utrecht, vertaalde met toestemming van Marie Steiner de eerste twee mysteriedrama’s in het Nederlands, kreeg van Albert Verwey het advies om vijftig Shakespeare sonnetten te vertalen en was van 1924 tot 1931 redacteur van de Mededelingen van de Antroposofische Vereniging. Samen met haar man, de bekende lithograaf Simon Moulijn, woonde zij in de villa d’Eglantier in Laren. Daar startte Simon samen met zijn studievriend Ferdinand Hart Nibbrig in 1910 een kunstschool. Johanna Hart Nibbrig-Moltzer werd diep bevriend met Henriëtte. Ze organiseerden samen salonavonden in Laren. Via Johanna kwam Henriëtte in contact met haar jongere zus Peggy Kloppers-Moltzer en via Ferdinand met Jacoba van Heemskerck en Marie Tak van Poortvliet. In 1908 werd Johanna en in 1909 Ferdinand lid van de Gooische-Loge van de Theosophische Vereeniging. Steiner sprak in maart 1908 in Nederland, waaronder in Amsterdam, waarbij Piet Mondriaan aanwezig was. Vermoedelijk gold dat ook voor Johanna Hart-Nibbrig.
Vrouwen en kunst rond 1900
Naast de opvoeding van haar twee zonen Eco en Hans Moulijn hield Henriëtte, geïnspireerd door haar vriendin en naamgenoot Henriëtte Roland Holst, sociaaldemocratische voordrachten in het kader van de toenmalige Vrouwenbond. Thema’s waren bijvoorbeeld moederschapsloon en vrouwenkiesrecht. Samen met Johanna en later ook met Peggy reisde zij naar de opvoering van de mysteriedrama’s in München. In maart 1913 leerden de vriendinnen Edith Maryon kennen tijdens de voordrachten van Rudolf Steiner in Pulchri-Studio in Den Haag. Peggy melde zich aan voor de opleidingscursus euritmie. Zij wist bij Nederlandse vermogende dames grote sommen geld te werven voor het in aanbouw zijnde Goetheanum. Hun band met Rudolf en Marie Steiner en de door hen ontwikkelde spraak- en bewegingskunst is hun hele leven een wegwijzer gebleven.
Het is opvallend dat veel vermogende, sociaal bewogen, vrouwen in deze vroege fase betrokken waren bij maatschappelijke vernieuwing, kunst en het financieren van antroposofische initiatieven. Velen van hen raakten verbonden met de euritmie, spraak/ toneel en beeldende kunsten. Naast Marie Tak van Poortvliet hebben meerdere vrouwen veel gegeven uit het hun toegevallen familievermogen. Onder andere Elisabeth Vreede, Susanne Bou ricius, Peggy en Johanna Moltzer, Adelyde Content, Elisabeth en Johanna Knottenbelt, Aleida Hofstede Crull, Hélène Droog leever Fortuyn-Bruinier, Lien Pot, Emmy van Bemmelen-Smit. Henriëtte schreef niet alleen. Zij was na de oorlog ook sterk betrokken geraakt bij de opkomende driegeledingsbeweging. Vanaf 1918 – toen een eind kwam aan haar enthousiasme voor Troelstra – wijdde zij zich geheel hieraan.
Sociale impuls in rumoerige tijd
Steiner vond dat voor sociale vernieuwing een creatieve aanpak noodzakelijk was. “Het cultureel/geestelijke dient voor de productiviteit van wetenschap, onderwijs, kunst en religie onafhankelijk te zijn en de economie verliest haar vitaliteit wanneer het zich met de politiek vermengt” aldus Marie Tak van Poortvliet. Met de Kernpunten werd propaganda gemaakt voor een nieuwe maatschappijopvatting: De drieledige indeeling van het sociale organisme. Een gelijknamig blad verscheen in 1920 en 1921 onder redactie van Marie Tak van Poortvliet. In het comité zat onder andere Elisabeth Vreede die ook in Laren en Hilversum hierover sprak. Voor Henriëtte kwam de antroposofie nú werkelijk op aarde aan, zo zei ze. Ze verhuisden in 1918 naar het Haagse Staten kwartier en Henriëtte werd, zo blijkt uit haar ledenkaart, in 1920 lid en bezocht regelmatig het Goetheanum. Voor Simon was Den Haag vertrouwd, daar hij in 1891 medeoprichter was van de Haagse Kunstkring. Gedurende de jaren twintig exposeerde hij veelvuldig. Hij was van 1923 tot 1935 bibliothecaris van Pulchri Studio. Financieel namen zij deel aan op te richten driegelede initiatieven zoals Der Kommende Tag. Simon Moulijn, Kleindochter Freya, 1940 financieren. Die zouden daarmee onafhankelijk van staatsbeïnvloeding blijven. Het is de moeite waard daarvan de gehele concepttekst te lezen in de Zeylmansbiografie.
Uit dank voor al hetgeen vriendin Peggy Moltzer deed voor het Goetheanum kreeg zij vermoedelijk van Edith Maryon in 1922 twee bronzen reliëfs. Deze werken – Quellen Wunder en Theo Faiss – zijn nauw verbonden met het Goetheanum als Huis van het Woord. Later, na Peggy’s overlijden in 1930, doken ze bij Henriëtte Moulijn op. Via haar zoon Eco maakten zij uiteindelijk deel uit van kleindochter Freya’s nalatenschap. De erven hebben de reliëfs eind 2024 overgedragen aan het Vreedehuis in Den Haag en de zilveren sieraden aan de Kleinodienkunst in Dornach. Voor de vele litho’s en schilderijen zijn diverse musea en galeries benaderd. De brieven, dagboeknotities, dichtbundels en kunstwerken uit deze nalatenschap getuigen van een tijdsbeeld en cultuurimpuls, waarbij vernieuwing door de vrijmetselarij, de theosofie en antroposofie werd nagestreefd.

Bronzen reliëf
Edith Maryon 1921
Voor een vrij geestesleven
De vertaling van Kernpunten van het sociale vraagstuk was voor zowel Marie Tak van Poortvliet als voor Henriëtte van grote persoonlijke betekenis. Hun vermogen, financieel en niet-financieel, wilden zij alleen nog inzetten voor het cultureel/geestelijke leven. De Bond voor Drieledige Indeeling van het Sociale Organisme stelde in 1921 tijdens de eerste voordrachtencyclus na de oorlog deze inhoud in Nederland centraal. Rudolf Steiner maakte op 27 februari (zijn 60e verjaardag) in Den Haag, met een ontwerp voor een Weltschulverein, duidelijk dat de sociaaleconomische nood van die tijd niet in de eerste plaats op economische oorzaken is gebaseerd, maar uitdrukking was van een cultureel/geestelijke crisis. De vereniging zou, met een miljoen leden ieder met een bijdrage van 5 Mark per jaar, wereldwijd vrijescholen kunnen financieren. Die zouden daarmee onafhankelijk van staatsbeïnvloeding blijven. Het is de moeite waard daarvan de gehele concepttekst te lezen in de Zeylmansbiografie.
In april 1922 vond de Hochschule Kurs plaats in Den Haag, een wetenschappelijk congres voor en door academici. Nederland telde toen 150 leden van de Anthroposophische Vereeniging en het congres was dan ook gericht op een nieuwe generatie: zeer jonge mensen zoals Eco Moulijn, de vader van Freya, en 200 andere studenten. Op Palmzondag 9 april vond een voordracht plaats over beeldende kunst waarbij tijdens het nagesprek tot het oprichten van een Waldorfschool in Den Haag werd besloten. Later dat jaar in november sprak Steiner in kleine kring, van voornamelijk vermogende vrouwen, zijn zorg uit over gebrek aan geld voor het afbouwen van het Goetheanum. Hij zag de door enthousiasme-gedragen-wil in de vereniging afnemen. Kort daarna ging het Goetheanum in vlammen op. Peggy Molt zer was daarbij. Ze waakte die nacht bij het gebouw en troostte mensen zoveel ze kon. Het duurde een jaar voordat Steiner weer in Den Haag kwam voor de oprichting van de Antroposofische Vereniging in 1923. Het maandblad Anthroposophie (1922 en 1923), waarin Henriëtte over de driegeleding publiceerde, werd vervangen door het Nederlandse Bijblad van het Goetheanum, waarvan zij de redactie vormde tot 1930.
Eco Moulijn kwam, volgens zijn dagboek, op 31 maart 1925 in Dornach aan en hoorde van Johanna Hart Nibbrig dat Rudolf Steiner was overleden. De toen 23-jarige bezocht die middag Steiner in het atelier en bleef die week in Dornach bij alle herdenkingen.
Afspiegeling van conflicten in Nederland
Tegenslagen speelden in die roerige tijd een grote rol. De brand van het Goetheanum, de conflicten tussen jonge en oudere leden in Stuttgart, het mislukken van Der Kommende Tag en na de dood van Steiner de conflicten in het bestuur culminerend in de tragische uitsluiting van de Nederlandse vereniging in 1935. Breed maatschappelijk raakte de wereld in de ban van het nationaalsocialisme. Het faillissement in 1930 van een Hoornfabriek in Einsingen bracht in Nederland veel onrust. Ita Wegman had in Nederland geadviseerd hierin te investeren. Willem Zeylmans beschrijft dit voorval in zijn Ontwikkeling en geestesstrijd 1923 1935 evenals de conflicten rond Ita Wegman en het niet tot stand komen van de Weltschulverein. Ook de door Dunlop en Zeylmans georganiseerde Worldconference en Kamp de Stakenberg (respectievelijk in 1928 en 1930) hebben niet kunnen bijdragen aan meer eenheid in de Allgemeine Anthroposophische Gesellschaft (AAG). Het vroege overlijden van Peggy Kloppers in 1930 was een grote slag voor de vereniging en in het bijzonder voor Willem Zeylmans, Marie Steiner en Henriëtte. Met veel innigheid beschreven zij haar grote inzet. Van de hierboven genoemde leden, die trouw waren aan Marie Steiner en Albert Steffen, werden velen lid van de Nederlandse afdeling van de AAG na de uitsluiting in 1935. Ook Henriëtte en haar zoon Eco behoorden hiertoe. In haar brieven en verslagen uit de periode rond 1930 valt te lezen hoezeer ze zich nog heeft ingespannen om tegenstellingen te overbruggen. Haar innerlijke strijd, evenals die van Marie Tak van Poortvliet, plaatste haar tegenover Willem Zeylmans. Persoonlijk is er bij beiden altijd respect voor hem gebleven.
De Worldconference in Londen
Zoals Henriëtte als redacteur in de begintijd bijdroeg aan de vereniging waren Johanna en later Peggy lid van de eerste besturen van de vereniging. Peggy heeft zich in die rol ook ingezet om de kunstwerken van haar Zweedse vriendin Hilma af Klint op de door Daniel Dunlop georganiseerde Worldconference on Spiritual science te tonen. De familie Moulijn nam hieraan deel. In een uitvoerig verslag van deze conferentie beschrijft Eco Moulijn een opmerkelijk gesprek met Hilma waarin zij hem vertelde over het tot stand komen van de “schilderingen voor de tempel” waarvan er ruim dertig in London te zien waren. Het verslag luidde: “[Hilma vertelt] ‘Ik probeerde een probleem op te lossen waarbij ik druk ervoer vanuit de geestelijke wereld om hieraan te werken. Ik besloot te gaan schilderen en zo ontstond een reeks van 154 werken. Nu ben ik ouder geworden, maar opgelost heb ik het probleem nog niet. Ik ben wel dichter bij een oplossing gekomen.’ … Merkwaardige werken kwamen daarbij tevoorschijn… Haar werd bij haar geestelijk waarnemen gezegd dat ze naar de grootste rozenkruiser van die tijd moest gaan en zo kwam ze bij Rudolf Steiner. Hij zag de beelden en verklaarde ze als; ‘vormen uit de lemurische tijd.’ Hij raadde haar aan verder te werken. Daarna kwam het kruismotief … Ze werd antroposoof en in het rijke voordracht materiaal vond ze bevestigingen van haar visioenen, zo vertelde ze. Vooral de rozenkruis-impuls trok haar aan.”
De Tweede Wereldoorlog en de tijd erna
In 1936 verhuisden Henriëtte en Simon naar Wassenaar waar speciaal voor hem, ‘schilder van de romantische eenzaam heid’, een houten atelier werd gebouwd. Hij werd geridderd en benoemd tot ere-lid van de Vereniging ter Bevordering der Grafische Kunst. Diverse tentoonstellingen volgden waaronder een ere-tentoonstelling in Boymans van Beuningen. Door evacuatie uit Wassenaar werd werk in bewaring gegeven in de Lakenhal in Leiden en het Haagse Gemeentemuseum. In 1946 woonden zij in bij zoon Eco aan de Frankenstraat waar ook Freya met haar broertje Richard opgroeiden; drie generaties in één huis. In 1947 werd Simon, op 80-jarige leeftijd, gehuldigd in Pulchri en van Henriëtte verscheen de dichtbundel Spiegelingen, waarin de nood en hoop op ‘nieuwe mensen’ in de oorlogsjaren tot uit drukking werd gebracht. Na de verstilling van een jaar overleed Simon op 2 november en een maand later Henriëtte op 1 december 1948.
Bronnen:
- 100 jaar Euritmie in Nederland samengesteld door Imke Jelle van Dam.
- Alles gegeven, over Marie Tak van Poortvliet door Jacqueline van Paaschen; ten toonstelling en boek.
- Willem Zeylmans van Emmichoven, door zijn zoon Emanuel (vertaling Roel Munniks).
- Drents museum Assen, oeuvre catalogus Simon Moulijn 1866-1948.
- Henriëtte Moulijn Haitsma-Mulier: 1923 Shakespeare 50 sonnetten, 1924; Het paradijs herwonnen, 1935; Verzamelde verzen, 1947;
- Spiegelingen en diverse artikelen uit de Mededelingen.
- Willem Zeylmans van Emmichoven, Ontwikkeling en Geestesstrijd 1923-1935. historischekringlaren.nl/kunstschilder-lithograaf-houtsnijder-etser-simon-mou lijn-1866-1948.
- Bibliotheek Antroposofische Vereniging en de nalatenschap als onmisbare schatkamer
Dit artikel is gepubliceerd in Motief 306 van oktober 2026.
