De vuurproef van de ouderdom
24 september, 2026

Dit artikel gaat over ouderdom. Ik ben nu vijfenzeventig jaar oud en heb vastgesteld dat ouderdom niet is, wat ik altijd dacht dat het zou zijn. Op wezenlijke aspecten ervan was ik niet voorbereid. De vraag naar de betekenis van ouderdom is niet alleen van belang voor elk individu apart, maar ook voor complete gemeenschappen. Juist omdat de AViN voornamelijk uit 'oudere' mensen bestaat, lijkt mij hier een uitdaging te liggen.
Tekst: Jelle van der Meulen
In de antroposofie wordt zoals wij weten een verband gelegd tussen de levensfasen en de planeten. De fasen van de ouderdom worden geïdentificeerd met de buitenste planeten, de drie voorbij Saturnus, dus Uranus, Neptunus en Pluto. Met deze drie beroert ons zonnestelsel de peilloze wijdte van de kosmos. Zij zijn het verst verwijderd van de aarde en daardoor pas laat ontdekt. Hun banen worden weliswaar nog door de zwaartekracht van de zon vastgehouden, maar zijn voor het aardse oog onzichtbaar. Zij lijken zich op te lossen in het onvoorstelbare.
Uranus als eerste „begeleider“ van de ouderdom heeft zijn sterkste werking tussen het 64ste en 70ste levensjaar. Hij stelt een beproeving, hetgeen een opgave inhoudt, die alles in het leven een bepaald kenmerk geeft. De beproeving van Uranus bestaat eruit afscheid te nemen van ballast. Je wordt uitgenodigd onoverkomelijke zwarigheden in rook te doen opgaan of tot as te laten worden. Iets wervelt op, iets dwarrelt naar beneden. Wat ertussen overblijft ben je zelf, nu vrij voor wat nog komt. Het vuur van Uranus reinigt en opent.
Neptunus meldt zich tussen 71 en 77. Hij is de god van de oceaan, die met zijn drietand ineens zijn kop opsteekt uit de mateloze diepte. Zijn beproeving bestaat eruit jezelf nieuw te vinden in het oceanische levensgevoel, waar wij niet thuis zijn. De oceanen maken meer dan zeventig procent van de aarde uit. In de diepte bevinden zich watermassa’s, die een massieve tektonische werking kunnen hebben en ook de aardschors bewegen. Neptunus verschuift waar het licht niet komt. Hij nodigt uit tot zelfbesef in de donkere onmetelijkheid.
Pluto heerst tussen 78 en 84. Hij stelt een luchtproef. Kenmerkend voor Pluto is zijn baan, die niet correspondeert met die van alle andere planeten. Al draait ook hij om de zon, hij opereert buiten de schijf van zijn collega’s. Pluto staat daarom voor het onberekenbare in het leven, voor wat onverwacht is en op het oog niet lijkt te passen. Inmiddels is hem overigens door astronomen de status van planeet ontnomen, juist doordat hij zo klein en lichtvaardig is, maar ook omdat zijn buitensporige loop doet vermoeden dat hij van buiten het zonnestelsel afkomstig is. Is hij ooit door de zon 'ingevangen'? Pluto’s herkomst lijkt ook letterlijk hyperbolisch te zijn.
Aan deze buitenste planeten kleeft iets dat in ons geregelde leven niet zo goed past. Het loslaten van balast door Uranus gaat nog, want het betreft immers vertrouwde ervaringen. Het gaat om belevingen, waar wij min of meer in thuis (kunnen) zijn. Voor mijzelf noem ik ze unfinished buseniss, want het gaat voor een belangrijk deel om onopgeloste karmische knopen, die (nog steeds) pijn kunnen doen. Hier geldt onder andere de vraag: Wat zeggen mij mijn nalatigheden en wat kan ik er voor ik sterf nog aan doen? Veel ervan moet ik (voorlopig) als ballast afgeven, om mij vrij te maken voor wat ik wel kan doen. Het weloverwogen leren kiezen hoort bij Uranus.
Maar met het verzinken in de oceaan van Neptunus ligt het al anders, want daarbij handelt het om onbekende diepten, waar wij zelfs met geavanceerde duikboten niet kunnen komen. Van de vaste continenten is ons iedere vierkante meter bekend (behalve de Amazonen), van de oceaanbodem weten wij aanmerkelijk minder. In overdrachtelijke zin betekent dit dat de mij bekende feiten over mijn eigen leven in een verdiepte en onmetelijke context komen te staan, die ik weliswaar voel, maar waar ik de woorden niet voor heb. Ik zal hieronder twee belevingen beschrijven, die mij met het levensgevoel van Neptunus lijken te resoneren.
Het onberekenbare van Pluto tenslotte spant de kroon. Wij weten ook feitelijk niet goed hoe dit kosmische lichaam in een categorie onder te brengen. Pluto maakt letterlijk sprakeloos, want hij wekt het besef dat de dingen nóóit zijn wat je denkt dat zij zijn. De dwergplaneet maakt gevoelig voor het verwarrend inzicht dat de ons bekende werkelijkheid is ingebed in een grotere vertelling, die wij niet kennen. Voor het handhaven van welke orde dan ook, verlangt dit een inspiratief vermogen, in het hier en nu. Het is als met kunstwerken: Deze weigeren uitleg te geven. De sprakeloosheid hoort er onvervreemdbaar bij.
***
Als kind zag ik mijn grootvader van moederskant op een bank in zijn tuintje direct langs de IJssel zitten. Hij rookte pijp. Hij deed niets, zat eenvoudig en keek voor zich uit. Mijn grootmoeder, die zijn tweede vrouw was en twintig jaar jonger dan hem, placht tegen mij te zeggen: Laat opa met rust, want hij is moe. En zo zag ik hem dan ook: een oude man die graag op zijn bankje zat om uit te rusten. Ik kwam daarbij niet op de gedachte dat hij zich uiterlijk weliswaar in rust bevond, maar innerlijk misschien intens onderweg. Hij leek mij een 'lege' man te zijn.
Ik zelf als kind was nu juist vol.
En dan was er de grootmoeder van vaderskant. Zij bezocht ons twee of driemaal per jaar. Zij zat dan in een leunstoel in de woonkamer en zei nauwelijks iets. Maar om haar heen hing een wolk van welwillendheid, alsof zij iets representeerde dat niet kon worden uitgesproken. Als de twee grote mannen, mijn vader en mijn grootvader, na de kerkdienst op zondag aanhoudend dringend aan het woord waren, leek zij een aura te zijn die de masculiene gedrevenheid met mildheid overstraalde. Ik wist als kind nooit of zij nu juist dom was of juist genadig verheven boven gedoe.
Maar terugblikkend valt op dat in beide gevallen, bij mijn grootvader in zijn tuin en mijn grootmoeder in onze woonkamer, sprake was van een leemte. Zij waren fysiek gesproken weliswaar aanwezig, maar als actieve „instantie“ nu juist afwezig. Nu begrijp ik dat dit niet per se met hun ouderdom hoeft samen te hangen, want sommige mensen zijn nu eenmaal eerder introvert en andere daarentegen extravert. Maar het beeld van de twee grootouders-in-rust wekte niettemin een algemeen besef: Zwijgzaamheid is een kenmerk van ouderdom. Van een kleine baby is kalmte niet te verlangen, van een oude vrouw of man nu juist wel.
***
Het is zinvol stil te staan bij de onwrikbare drietand van begrippen die ons denken over de samenleving sterk bepaalt, namelijk die van kind & volwassene & bejaarde. De categorieën suggereren in de dagelijkse omgang een helderheid, die niet echt bestaat. Want alleen al het verschil tussen een kind van twee en een kind van twaalf is immens. Hetzelfde geldt voor dat tussen een volwassenen van eenentwintig en eentje van vijftig. Zelfs voor ouderen gelden de verschillen, want tussen het zevenenzestigste en het vijfentachtigste levensjaar liggen opmerkelijke avonturen, die in ons culturele besef onbenoemd blijven. Wij zwijgen dan nog van mensen die in de buurt van de honderd komen.
In de drietand staat tussen het kind en de bejaarde soeverein de volwassene. Zij of hij is een productieve burger, kan zichzelf verzorgen (door geld te verdienen), kan zelf beslissingen nemen en wordt daarmee verantwoordelijkheid toevertrouwd. Met kinderen is dit niet het geval. Hun leven wordt in hoge mate door volwassenen bepaald, zoals vijf dagen in de week urenlang op school te moeten zitten. Direct toegang tot materiële bronnen hebben zij niet. Maar ook is waar dat onze verhouding tot de kinderen in de afgelopen honderd jaar gelukkig een bewust thema is geworden, hetgeen tot bevrijdende inzichten en praktijken in de opvoeding en het onderwijs heeft gevoerd. Vooral mijn generatie is hier trots op.
Maar als het gaat om bejaarden, zo lijkt mij, staan wij nog aan een begin. Dankzij Rudolf Steiner zijn wij genuanceerd bekend met de biografische wendingen in de eerste fasen van de levensloop. Met de laatste levensfasen is dit minder het geval. Ik ben geneigd te denken dat het beeld van de ouderdom algemeen gesproken nog steeds amorf is. Volgens een geraadpleegd woordenboek zijn bejaarden „bedaagd“, hetgeen inhoudt dat zij „weloverwogen“ zijn, maar ook 'afgeleefd'. In gesprekken met leeftijdgenoten is mij opgevallen dat wij weinig concreet over onze gewaarwordingen-als-bejaarde kunnen spreken. Het lijkt er een beetje op alsof wij liever als 'vijftiger' blijven ageren, zij het inmiddels iets bedaagder, want die houding is ons vertrouwd. Ik vermoed dat dit ook geldt voor de tekst die ik nu schrijf.
***
Het is eigenlijk niet moeilijk te begrijpen waarom ouderdom maatschappelijk gesproken ongemakkelijk is, want hij betekent ook: de dood. En uitgerekend tot de dood hebben wij een hyperbolische verhouding. Het denken erover haalt alles uit de voegen. Rudolf Steiner sprak dan ook van 'het mysterie van leven en dood', dat in zijn visie tot de bepalende vraagstukken van de westerse cultuur behoort. Leven voelt aan als een proces naar voren; je hebt als jonge mens nog een oneindige toekomst voor je. Je bekommert je niet om het verleden. Het besef van de dood draait de boel om: Het verleden wordt een bodemloze doos van Pandora. Juist op dit aspect van ouderdom was ik niet voorbereid.
Met het ouder worden is mij opgevallen dat uit de ondergrond van de ziel gewaarwordingen opstijgen die ik het liefste als bijverschijnsel behandel. Zij leiden tot misverstanden, niet alleen tussen mijzelf en de mensen om mij heen, maar ook in mijzelf. Ik beperk mij tot twee verschijnselen, die lijken te corresponderen met wat ik hierboven over de werking van Neptunus beschreef. Zij zijn hoogst (on)praktisch van aard. Zij zijn in mijn leven op zichzelf niet nieuw, maar hebben de afgelopen jaren wel een opvallende consistentie gekregen. Zij willen geen bijverschijnselen meer zijn.
Het eerste is dat ik de dringendheid van korte termijn afspraken niet meer voel. Ik vergeet ze of ervaar ze niet als belangrijk. Het lijkt alsof een ander tijdsbesef het roer wil overnemen. In gesprekken, vooral als die een logistiek karakter hebben, dwaal ik gemakkelijk af en ga bijvoorbeeld helemaal op in de gelaatsuitdrukking van een aanwezige persoon. Ik beleef dan een intense nabijheid, alsof het beeld van de andere mens zich warm in mij nestelt en een ondoorgrondelijk verhaal suggereert. Met deze persoon in een praktisch gesprek blijven, valt mij niet gemakkelijk. Ik verlies snel de details uit het oog.
Het tweede is vergelijkbaar, maar toch anders. Het gebeurt in toenemende mate dat ik voor een heel kort moment, hoogstens vijf seconden, innerlijk compleet weg ben en dan 'terugkom' met een indringende beleving, die ik echter niet kan plaatsen. Dit verschijnsel treedt alleen op als ik alleen met mijzelf ben. Het voelt aan alsof er parallel aan de gewone werkelijkheid nog een tweede verhaal loopt, waar ik dan kort in verzeild raak. De beelden zijn hoogst intensief, suggereren emotioneel een verband met het hier en nu, maar blijven raadselachtig. Ik kan ze bovendien maar moeilijk vasthouden.
***
Ooit las ik ergens, ik weet niet meer waar, dat de levensfasen zijn op te vatten als waarnemingsorganen. Mij lijkt dit een treffende formulering te zijn. Over de laatste drie fasen zou nog veel meer te zeggen zijn, maar in elk geval ook dit: Zij zijn lastig te integreren in het maatschappelijke leven. Ons ontbreken de ritualen en gespreksvormen, die kwetsbare gewaarwordingen ter sprake brengen. Wij hebben inmiddels ingezien dat wij een vergelijkbaar vraagstuk met betrekking tot kinderen hebben. Maar als het om bejaarden gaat, heerst nog een grote verlegenheid. Onze grote schrijver Harry Mulisch sprak er ooit in een interview over dat naar zijn besef in de huidige westerse cultuur het perspectief van ongeveer het veertigste levensjaar maatgevend was. Ik ben geneigd dit nu meer in de richting van vijftig te verschuiven.
Hier ligt een uitdaging. Ik ben er weliswaar niet helemaal zeker van, maar houd voor mogelijk dat er goede gronden zijn in het wel en wee van de antroposofische beweging, in elk geval in Europa, de drie planeten Uranus, Neptunus en Pluto aan het werk te zien. Maar misschien lijkt mij dit zo te zijn, omdat ik nu eenmaal op leeftijd ben gekomen. Echter alleen al het motief van het afwerpen van ballast lijkt mij hoogst actueel te zijn. Maar hoe doen wij dit? Hoe raken wij erover in gesprek? En vooral ook: Hoe komen wij tot beslissingen? Kortom, hoe begrijpen wij het principe van de 'vuurproef' niet alleen voor elk van ons apart, maar ook voor ons samen?
