In gesprek met Florian Hardewijn
22 juni, 2026

In gesprek met Florian Hardewijn - Wat betekent antroposofie voor je?
In haar onderzoek naar wat antroposofie en de vereniging voor leden betekenen gaat Tanja Markies in gesprek met Florian Hardewijn, boer en begeleider op de boerderij van Scorlewald in Schoorl.
Tekst en beeld: Tanja Markies
Florian, vertel eens over hoe je bent opgegroeid
Ik ben geboren in 1985 en opgegroeid in Bergen als tweede in een gezin met vier kinderen. Mijn vader werkte op Scorlewald in Schoorl en in die tijd werd het belangrijk gevonden dat je als gezin werd betrokken bij het werk en de bewoners. Dat het normale leven, het gezin, door de bewoners meebeleefd kon worden en de ontmoeting kon plaatsvinden tussen kind en bewoner. Want ja, de realiteit is dat veel van onze bewoners zelf geen kinderen krijgen. Ik liep als jong kind veel rond op de feestdagen die je als gemeenschap samen beleeft. Ik had het erg naar mijn zin met veel bewoners, met de meesten was het superleuk. We gingen elke zaterdag met de bewoners zwemmen in zwembad De De Beeck en elke zomer met hen op vakantie.
Zou je kunnen zeggen dat dit een soort bodem was waarin je bent opgegroeid?
Zeker. Ik heb een antroposofische opvoeding gehad. Wij gingen allemaal naar de vrijeschool, en al onze vriendjes en vriendinne tjes ook. Ik had er geen bewustzijn van dat wij een alternatieve opvoeding kregen. Pas veel later, op de middelbare school, kreeg ik vrienden die een heel andere opvoeding hadden genoten. Zo rond mijn veertiende werd ik me daar langzaam van bewust. Ik merkte bijvoorbeeld dat mijn klasgenoten op de vrijeschool en ik sociaal vaardiger waren dan vrienden uit het regulier onder wijs. Zij waren veel materialistischer. Het was belangrijk voor ze op wat voor scooter ze reden, welke kleren ze droegen, hun uiterlijk. Dat was voor mij helemaal niet zo.
Werd dat belangrijker voor je doordat je met ze omging?
Nee, eigenlijk niet. Maar ik werd me wel bewust van een bepaald sfeertje. Beoordeeld worden op je performance, of hoe je eruit ziet en leuk gevonden worden en zo. Dat speelde een grote rol. Terwijl wij leerden dat het 't belangrijkste is om jezelf te zijn. De Beeck en elke zomer met hen op vakantie.
Zou je kunnen zeggen dat dit een soort bodem was waarin je bent opgegroeid?
Zeker. Ik heb een antroposofische opvoeding gehad. Wij gingen allemaal naar de vrijeschool, en al onze vriendjes en vriendinne tjes ook. Ik had er geen bewustzijn van dat wij een alternatieve opvoeding kregen. Pas veel later, op de middelbare school, kreeg ik vrienden die een heel andere opvoeding hadden genoten. Zo rond mijn veertiende werd ik me daar langzaam van bewust. Ik merkte bijvoorbeeld dat mijn klasgenoten op de vrijeschool en ik sociaal vaardiger waren dan vrienden uit het regulier onder wijs. Zij waren veel materialistischer. Het was belangrijk voor ze op wat voor scooter ze reden, welke kleren ze droegen, hun uiterlijk. Dat was voor mij helemaal niet zo.
Werd dat belangrijker voor je doordat je met ze omging?
Nee, eigenlijk niet. Maar ik werd me wel bewust van een bepaald sfeertje. Beoordeeld worden op je performance, of hoe je eruit ziet en leuk gevonden worden en zo. Dat speelde een grote rol. Terwijl wij leerden dat het 't belangrijkste is om jezelf te zijn.
Bleef je veel naar Scorlewald toe gaan?
Nou, dat werd zo rond mijn tiende minder, maar rond mijn veer tiende kwam ik er weer vaker omdat ik zelfstandiger werd en er veel van mijn vrienden woonden. We speelden op de boerde rij, gingen vliegeren in het weiland en nachtvissen. Dan zetten we een tentje op in het sportveld bij de vijver, heerlijk. Het was gewoon heel fijn spelen daar. Ik heb nog steeds veel vrienden uit die tijd en van school. En toch ben ik een beetje een lone wolf. Niet dat ik eenzaam ben, want ik word hier enorm gezien en gewaardeerd. Mijn werk is mijn leven eigenlijk. Het onderhouden van vriendschappen is niet een prioriteit, maar als we elkaar zien is het meteen weer oude jongens krentenbrood. Misschien ben ik dit werk wel ingerold door mijn opvoeding. Maar dat zou niet beklijven als ik niet zo in elkaar zat. En ik heb er later echt bewust voor gekozen.
Laten we eens een klein stukje teruggaan; je kwam van de bovenbouw af en toen?
Nou ik ben een klas eerder van de bovenbouw afgegaan, toen ik mijn mavodiploma had. Want dat had ik nodig zodat ik naar het CIOS kon om docent lichamelijke opvoeding te worden. Dat was wat ik wilde. En ik koos voor de richting Sociaal Bewegings agoog. Dat was een specialisatie in de laatste twee jaar. Dan ver zorg je de sport in het speciaal onderwijs en in de zorg.
Waren daar de elementen die je bij je opvoeding en op de vrijeschool had meegekregen van waarde?
Ja! Het durven spreken voor groepen, het zelfvertrouwen heb ben als basis. Dat had ik al in mijn rugzak zitten en dat heeft mij op het CIOS heel erg geholpen. Ik was minder goed in de exacte vakken. Ik haalde voldoendes maar daar was dan ook alles mee gezegd. Daarentegen blonk ik uit in het lesgeven aan groepen. Na wat omzwervingen kwam ik bij de Dijkgatshoeve terecht in Wieringerwerf en daar werd ik leerling in de zorg. Daar leerden mijn partner Neeltje en ik elkaar kennen. Al snel ontdekte ik dat mijn affiniteit lag bij het werken als boer, en het besef kwam dat dat óók onderdeel is van werken in de zorg. Toen ik ging werken op Scorlewald keek ik al met een schuin oog naar de boerderij. Op enig moment konden we een medewerkerswoning betrekken op buitenhuis Yggdrasil, kreeg Neeltje werk op Scorlewald en ging ik de opleiding doen op Warmonderhof. Dat ik eerst als stagiair en uiteindelijk als boer kon gaan werken was een lot uit de loterij!
Welke rol speelt antroposofie in jouw leven?
Nou, het stroomt door al mijn aderen. Maar ik vind het moeilijk om te zeggen: “Ik ben een antroposoof”, omdat ik het gevoel heb dat ik dan eigenlijk alle hokjes moet kunnen aanvinken. Ik denk dat je als antroposoof ethisch gedreven, bewuste keuzes moet maken. Wat kleding betreft niet meedoen aan de industrie. Qua voeding kiezen voor lokaal liefst en biologisch-dynamisch. Dus nee, geen McDonalds. Ik eet vlees, maar dan wel biologisch-dy namisch. Daar sta ik keihard in. Maar in andere dingen minder hard. Ik heb schoenen met stalen neuzen. Wel zo handig als een koe op je voet gaat staan. En ik heb een werkbroek, dat is gewoon Chinese meuk. Het gaat denk ik niet strikt om wat je kiest, maar dat je keuze een bewuste keuze is. Moet ik op alle onderwerpen antroposofisch verantwoorde keu zes te maken of is 80% ook genoeg om te kunnen zeggen “Ik ben antroposoof”? Daar worstel ik dus nog mee.
Hoe pas je dat toe in je werk?
Op allerlei verschillende fronten. Dat is zo mooi van de boer derij. Hier hebben wij de vierledigheid echt om ons heen. Dat begint bij het fysieke. De steen die daar op het pad ligt bijvoor beeld. De palen die ik gebruik, of de bank waar we nu op zitten. En de etherwereld die je in de bomen ziet die nu in bloei staan. Daar waar de sappen stromen. Vervolgens de astraliteit, die vind ik het boeiendst. Dan kom je op het gedrag. Een grasspriet leeft wel, maar laat geen gedrag zien. Maar de kip die we daar zien laat oerdriften zien, en stress, of ruzie of liefde. Als we kijken naar de mens, zien we die astraliteit ook. Maar daarbij ook het overstijgende ‘ik’, het geweten, de moraliteit. Het besef van goed en kwaad. Wij kunnen als mens onze astra liteit, onze oerdriften, reguleren. Dat is wel heel bijzonder. Dat onderscheidt ons echt van de dieren.
Wat maakt het sociaaltherapeutisch werk zo interessant voor jou?
Bij onze cliënten is er vaak een verstoorde relatie tot hun ik-kracht. Als sociaaltherapeut moet je helpen en sturen om die ik-kracht te ontwikkelen. Dat is niet voor iedereen haalbaar. Maar bij velen is er ruimte om die relatie te laten groeien. En dan hebben we nog de temperamenten. Een kip is voor mij sanguinisch, een fladderaar met een korte concentratieboog. En de koe daar in de wei is meer flegmatisch met ook melancholi sche trekken. Het varken is een opportunist, cholerisch met san guinische elementen. Het paard is echt cholerisch. Als een cliënt voor het eerst bij ons komt werken, koppel ik hem of haar aan dieren met een soortgelijk temperament. Dat geeft veiligheid. Is er eenmaal gewenning, dan gaan we werken aan de ontwikkeling met juist het tegenovergestelde temperament. Dat is zo boeiend. Dus je kunt zeggen dat de mensen zich hier mede aan de temperamenten van de dieren ontwikkelen. Wat zijn je verwachtingen van de vereniging? Ik zou graag willen dat de praktische werking van de antropo sofie meer in de wereld zichtbaar wordt. Mijn wens is dat de helende elementen van het gedachtegoed groter gedragen gaan worden, dat het mag groeien. Ik zou zeggen: “Antroposofie moet je doen!”
